Door: Redactie - 15 september 2026 |
Op Prinsjesdag 2026 maakte het kabinet bekend dat er tot en met 2040 in totaal 5,1 miljard euro extra naar het Mobiliteitsfonds gaat. Voor de bouw- en infrasector is dat welkom nieuws, maar de boodschap uit Den Haag is tweeledig: er komt fors meer geld voor onderhoud, terwijl scherpe keuzes over nieuwe projecten onvermijdelijk blijven. Aannemers en opdrachtgevers doen er goed aan die dubbele beweging op de voet te volgen.
De kern van Prinsjesdag 2026 zit in het Mobiliteitsfonds. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voegt tot en met 2040 in totaal 5,1 miljard euro toe, waarvan 1,5 miljard euro dit jaar direct bestemd is voor groot onderhoud aan de bestaande infrastructuur. Daarmee kunnen meer projecten op korte termijn de schop in. Voor bouwbedrijven betekent dit een steviger orderportefeuille in het onderhoudssegment, precies daar waar de vraag de afgelopen jaren al hard opliep.
De keuzes rond Prinsjesdag 2026 raken vooral de bestaande kunstwerken. Een groot deel van het Nederlandse wegennet en veel bruggen stammen uit de jaren 60 en 70. Die kunstwerken naderen het einde van hun technische levensduur en zijn toe aan vervanging of een grondige renovatie. Minister Karremans spreekt over de grootste verbouwing van de infrastructuur ooit, waarbij miljarden verschuiven van nieuwe aanleg naar vernieuwing. In de wegenbouw verschuift het zwaartepunt daardoor richting instandhouding, met alle capaciteitsvragen die daarbij horen.
Naast het onderhoud reserveert het kabinet op Prinsjesdag 2026 structureel 300 miljoen euro per jaar voor de regionale bereikbaarheid. Dat geld moet de infrastructuur en het openbaar vervoer buiten de Randstad een impuls geven, onder het motto dat elke regio telt. Staatssecretaris Bertram noemt de verslechterende bereikbaarheid in de regio de aanleiding voor deze structurele investering. Voor regionale aannemers en toeleveranciers kan dat nieuwe opdrachten opleveren, al hangt veel af van de herprioritering die nu loopt.
Die herprioritering is de andere helft van het verhaal. Minister Karremans en staatssecretaris Bertram leggen alle rijksprojecten opnieuw tegen het licht en verschuiven middelen van aanleg naar vernieuwing en onderhoud. Samen met de Tweede Kamer zijn criteria afgesproken die bepalen welke projecten als eerste aan de beurt komen. De boodschap van Prinsjesdag 2026 is dus niet alleen meer geld, maar vooral anders kiezen, en dat raakt de planning van menig aannemer.
De luchtvaartplannen uit Prinsjesdag 2026 gaan verder dan asfalt en beton. Het kabinet verlaagt de vliegbelasting op vluchten boven de 5500 kilometer naar het Duitse niveau, om Schiphol concurrerend te houden. Tegelijk draagt het Rijk 45 miljoen euro bij aan een fonds voor duurzame luchtvaartbrandstoffen, waarin Schiphol hetzelfde bedrag inlegt. De maatregel moet de CO2-uitstoot terugdringen en biedt kansen voor de Nederlandse chemiesector, al wacht het fonds nog op goedkeuring uit Brussel.
Een laatste accent van Prinsjesdag 2026 ligt op zee. Op en onder de Noordzee liggen stroomkabels, datakabels, windparken en boorplatformen die van groot belang zijn voor Nederland en de buurlanden. Vanwege de toegenomen geopolitieke dreiging trekt het kabinet jaarlijks 78 miljoen euro uit voor bescherming, onder meer voor een Nationaal Maritime Security Centre. Voor de bouw- en installatiesector opent dit een nieuw werkveld rond beveiliging en instandhouding van maritime verbindingen, dat de komende jaren alleen maar groter wordt.