Door: Redactie - 24 maart 2026 |
Woningcorporaties leverden in 2025 maar liefst 21.500 nieuwbouw-huurwoningen op. Dat is het hoogste aantal sinds het CBS in 2012 begon met meten. Vergeleken met 2024 kwamen er 2.000 woningen meer bij. De cijfers tonen een duidelijke kentering na jaren van achterblijvende productie, al blijft de vraag of dit tempo voldoende is om het groeiende woningtekort daadwerkelijk in te lopen.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde de voorlopige cijfers op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daaruit blijkt dat woningcorporaties in 2025 verantwoordelijk zijn voor 31 procent van alle 69.200 nieuwbouwwoningen. De overige 47.100 woningen betreffen koopwoningen of particuliere huurwoningen. Van zo’n 600 nieuwbouwwoningen blijft de eigenaar voorlopig onbekend.
Wie de trend over de afgelopen vijf jaar bekijkt, ziet een opvallende verschuiving. In 2022 leverden corporaties slechts 14.000 woningen op, het laagste punt in de meetperiode. Sindsdien groeit het aandeel gestaag. De productie van koopwoningen en private huur daalde juist, van 60.500 in 2022 naar 47.700 in 2025. Dat roept de vraag op of commerciele ontwikkelaars terughoudender opereren, terwijl sociale huisvesters het gat vullen.
Amsterdam spant de kroon met bijna 2.900 nieuwe corporatiewoningen in een jaar. Utrecht, Haarlemmermeer en Breda volgen met elk meer dan 500 opgeleverde sociale huurwoningen. Het zijn stuk voor stuk gemeenten waar de druk op de woningmarkt al jaren enorm is.
Toch vertelt het landelijke beeld niet het hele verhaal. De regionale verschillen zijn namelijk fors. In gemeenten als Papendrecht, Leiderdorp, Krimpen aan den IJssel en Doesburg bestaan alle nieuwe woningen uit corporatiebezit. Aan de andere kant staan 86 van de 309 gemeenten met meer dan tien nieuwe woningen waar geen enkele sociale huurwoning bij zit. Opvallend genoeg ontbreekt Den Haag volledig in de corporatienieuwbouw, net als Hoorn en Boekel. Voor een stad met de omvang en woningnood van Den Haag is dat op z’n minst opmerkelijk te noemen.
De mate van stedelijkheid speelt een duidelijke rol in de verdeling. In sterk stedelijke gemeenten bestaat 37 procent van de nieuwbouw uit corporatiewoningen. Zeer sterk stedelijke gebieden komen uit op 34 procent. In minder en niet-stedelijke gemeenten schommelt dit percentage tussen 23 en 27 procent.
Dat sociale woningbouwers zich concentreren op plekken met de hoogste woningnood ligt voor de hand. Tegelijkertijd laat het zien dat kleinere gemeenten moeite hebben om corporaties aan te trekken voor bouwprojecten. De combinatie van hogere bouwkosten, schaarse locaties en soms trage vergunningprocedures maakt het voor sociale verhuurders lastig om buiten de grote steden dezelfde schaal te bereiken.
Hoewel het recordaantal goed nieuws is, plaatsen experts kanttekeningen bij het tempo. Volgens onderzoek van ABF Research bedroeg het woningtekort begin 2024 ongeveer 401.000 woningen, zo’n 4,8 procent van de totale woningvoorraad. De Nationale Woon- en Bouwagenda van het kabinet streeft naar 100.000 nieuwe woningen per jaar. Met 69.200 opgeleverde woningen in 2025 blijft de totale productie daar nog steeds ruim onder.
Branchevereniging Aedes gaf eerder aan dat woningcorporaties de ambitie hebben om structureel 25.000 tot 30.000 woningen per jaar te realiseren. De 21.500 van afgelopen jaar laten zien dat die ambitie steeds dichterbij komt, maar nog niet gehaald is. Daarbij verandert het totale corporatiebezit niet alleen door nieuwbouw. Sloop, verkoop, aankoop en andere mutaties beinvloeden de netto groei aanzienlijk.
Het is positief dat corporaties meer bouwen dan in voorgaande jaren. Maar de ongelijke spreiding over het land verdient aandacht. De drie noordelijke provincies laten wisselende resultaten zien. Groningen scoort met 36 procent corporatieaandeel behoorlijk, terwijl gemeenten als Smallingerland en Opsterland helemaal geen sociale nieuwbouw kennen.
In Limburg vallen Maastricht (83 procent), Heerlen (69 procent) en Kerkrade (69 procent) op als koplopers. Daar investeren woningcorporaties flink in vervanging van verouderd bezit. In Zeeland scoren Vlissingen (82 procent) en Terneuzen (56 procent) hoog. De spreiding toont aan dat lokale omstandigheden, zoals beschikbare grond en de financiele positie van individuele corporaties, bepalend zijn voor de bouwproductie.
Het CBS benadrukt dat het om voorlopige cijfers gaat die later nog bijgesteld kunnen worden. Desondanks geven de data een helder signaal: woningcorporaties nemen hun rol als bouwer van betaalbare huurwoningen weer serieuzer. Of dat genoeg is om de wooncrisis structureel te verlichten, hangt af van het tempo in de komende jaren en de mate waarin ook buiten de grote steden gebouwd gaat worden.