Door: Redactie - 18 juni 2026 |
Grensoverschrijdende aanbesteding in de Europese bouwsector komt nauwelijks van de grond. Slechts vijf procent van alle overheidsopdrachten in de EU gaat naar een buitenlandse partij. De Europese Commissie werkt aan nieuwe regels die daar verandering in moeten brengen, maar de weerstand vanuit de sector is groot.
De recente gunning van een groot deelcontract voor de renovatie van de Van Brienenoordbrug aan het Spaanse bouwbedrijf FCC is opvallend. De Nederlandse combinatie van BAM en Heijmans greep naast de opdracht. Een gunstigere prijsstelling van de Spaanse partij gaf de doorslag bij Rijkswaterstaat. Het is een van de weinige keren dat een buitenlandse bouwer zo’n grote Nederlandse infraopdracht binnenhaalt.
Directievoorzitter Henri van der Kamp van Van Gelder Groep, een van de grootste Nederlandse infraaannemers, noemt het jammer. Volgens hem is het beter om kennis en ervaring die bij zo’n complexe opdracht nodig zijn in Nederland te houden. „Anders loopt de kennis weg”, waarschuwt hij. Het is een sentiment dat breed leeft in de Nederlandse bouwwereld.
De vrees van Van der Kamp staat niet op zichzelf. Europese bouwbedrijven hebben bar weinig trek in opdrachten buiten het eigen land. Dat blijkt uit een rapport van de Europese Rekenkamer over het functioneren van de Europese aanbestedingsmarkt. Grensoverschrijdende overheidsopdrachten zijn goed voor slechts vijf procent van het totaal in de EU. Frankrijk kwam tussen 2011 en 2021 niet verder dan een paar procent, terwijl Luxemburg bijna dertig procent van de opdrachten aan buitenlandse partijen uitbesteedde.
Via dochterondernemingen in een lidstaat gaat indirect wel meer werk de grens over. Bij opdrachten onder de 200 miljoen euro bedraagt dat aandeel ongeveer twintig procent. Bij grote contracten boven de 200 miljoen stijgt het zelfs naar 28 procent. Indirect werk via lokale dochters blijkt daarmee een belangrijkere motor achter Europese integratie dan directe buitenlandse opdrachten.
Hoogleraar aanbestedingsrecht Elisabetta Manunza uit Utrecht vat het kernachtig samen: „Er is geen echte Europese markt, het blijft nationaal.” Voormalig Eurocommissaris Mario Monti constateerde al eerder dat de regelgeving vooral voor concurrentie binnen de lidstaten had gezorgd, en veel minder tussen de lidstaten onderling.
Het zijn niet alleen praktische bezwaren die bouwers weerhouden van werk over de grens. De financiele drempels zijn voor kleinere bedrijven vaak onoverkomelijk. Philip van Nieuwenhuizen, vicevoorzitter van de European Builders Confederation, reist regelmatig naar Brussel om de belangen van kleinere aannemers te behartigen. Hij zat onlangs aan tafel met Ursula von der Leyen over de verwachte nieuwe regels.
Van Nieuwenhuizen kent een voorbeeld waarbij een aannemer achttien miljoen euro aan inschrijfkosten maakte voor een geraamde aanneemsom van twintig miljoen. De winnaar had zijn kosten gedekt, maar de drie verliezende inschrijvers bleven met lege handen achter. „De inschrijfsom is soms het dubbele van de waarde van het product. Dat kan natuurlijk niet zo zijn”, zegt hij.
Tijdens die bijeenkomst lobbyde Van Nieuwenhuizen naar eigen zeggen hard voor eenvoudigere procedures. Naar verwachting komt de Europese Commissie rond 1 juli met een voorstel voor nieuwe regelgeving die de drempels bij een aanbesteding moet verlagen.
Advocaat Louisa Engels van CMS.law in Amsterdam was betrokken bij de consultatieronde voor herziening van de Europese aanbestedingsregels. Zij noemt de huidige regels uit 2014 „spoorboekjesrecht”: uitgebreid, procedureel en strikt. De verwachting is dat de nieuwe regels meer eenvoud en flexibiliteit bieden, maar tegelijk een dwingender karakter krijgen.
Waarschijnlijk kiest de Europese Commissie voor een verordening in plaats van een richtlijn. Een verordening werkt direct in alle lidstaten, zonder omzetting in nationale wetgeving. Dat moet zorgen voor meer uniformiteit op de Europese markt voor overheidsopdrachten. Er komt ook meer ruimte voor strategische keuzes en innovatie bij het uitschrijven van opdrachten.
Daarnaast groeit de aandacht voor duurzaamheid bij overheidsinkoop. Op dat vlak loopt Nederland volgens Engels achter op landen als Frankrijk en Denemarken, waar duurzaamheid bij publieke aanbesteding al lang verplicht is. De nieuwe regels zouden ook op dat punt een inhaalslag moeten forceren.
Elk jaar wordt in de EU-landen ongeveer tweeduizend miljard euro uitgegeven aan overheidsopdrachten, circa veertien procent van het bruto binnenlands product. Ondanks de herziening van de richtlijnen in 2014 is er volgens de Europese Rekenkamer weinig verbeterd. De procedures werden langer in plaats van korter en transparantie bleef een probleem.
Het percentage overheidsopdrachten met slechts één inschrijver is in de afgelopen jaren bijna verdubbeld. Ook de vele onderhandse gunningen bij kleinere opdrachten hinderen de concurrentie op de interne markt. Of de verwachte nieuwe Europese regels voor aanbesteding het tij kunnen keren, zal na de zomer moeten blijken.