Door: Redactie - 17 maart 2026 |
Vijf grote gemeenten zetten een flinke stap in de verduurzaming van de bouwsector. Amersfoort, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam kopen voortaan uitsluitend straatklinkers en stoeptegels van duurzaam beton in. Met de ondertekening van een intentieverklaring binnen het Betonakkoord doorbreken zij een jarenlange patstelling tussen opdrachtgevers en producenten. Het gaat om meer dan 130.000 ton bestratingsmaterialen per jaar.
Afgelopen donderdag zetten de infrawethouders van Den Haag, Rotterdam en Amersfoort hun handtekening onder de intentieverklaring. Utrecht en Amsterdam volgen op korte termijn. De partijen achter het Betonakkoord bereidden de verklaring de afgelopen jaren zorgvuldig voor. Ze formuleerden scherpe maar haalbare technische eisen voor bestratingsmaterialen en sneden tegelijkertijd sluiproutes bij aanbestedingen af. Aannemers of onderaannemers die inschrijven voor bestratingswerk kunnen zich niet langer verschuilen achter leveranciers die beweren niet te kunnen leveren. Zij moeten de afgesproken voorwaarden een-op-een doorleggen naar alle partijen in de keten.
Voorzitter Jacqueline Cramer van het Betonakkoord erkent dat dit subtiel en behoedzaam opereren vereiste. Maar ze is ervan overtuigd dat er een eerlijk speelveld ontstaan is. De deelnemende gemeenten gunnen voortaan op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding, waarbij de milieuprestatie zwaar meetelt. Vooral de CO2-reductie in de levenscyclusfases A1 tot en met A3 speelt een doorslaggevende rol bij de beoordeling.
De vijf gemeenten hanteren een MKI-eis van 13 euro per kuub bestratingsmaterialen. Volgend jaar scherpen zij die aan naar 12 euro, daarna naar 11, tot uiteindelijk 9 euro in 2030. Dat komt neer op een CO2-reductie van minstens 70 procent ten opzichte van 1990. Hergebruik van bestaande bestrating scoort hoog in de beoordelingssystematiek en krijgt nadrukkelijk de ruimte.
Cramer wijst erop dat koplopers onder producenten en toeleveranciers een duidelijk voordeel genieten. Dat vindt zij terecht: zonder hun inspanningen was de markt nooit in beweging gekomen. Zij toonden aan dat je betrouwbare stoeptegels, banden en klinkers kunt produceren met een aanzienlijk lagere CO2-uitstoot. De meeste koplopers communiceerden daar ook open over, waardoor het voor achterblijvers niet zo ingewikkeld hoeft te zijn om hun voorbeeld te volgen.
De gezamenlijke inkoop vertegenwoordigt indrukwekkende hoeveelheden. Rotterdam koopt jaarlijks 55.000 ton aan bestratingsmaterialen in, Amsterdam zo’n 44.000 ton, Den Haag 26.000 ton en Amersfoort 7.000 ton. Utrecht berekent de cijfers nog. Bij elkaar gaat het om ruim 130.000 ton beton per jaar. Die volumes bieden producenten het perspectief dat investeringen in verduurzaming van productielijnen daadwerkelijk lonen.
Volgens de voormalig milieuminister hield de branche zichzelf lang gevangen in een patstelling. Producenten zagen geen reden om te investeren bij gebrek aan vraag, terwijl opdrachtgevers meenden niet duurzaam te kunnen uitvragen bij gebrek aan aanbod. De intentieverklaring binnen het duurzame betonakkoord doorbreekt die spiraal nu definitief. Innovaties hoeven niet langer te blijven steken in de pilotfase.
Er bestaat niet een enkele route om de CO2-voetafdruk van beton terug te dringen. Producenten passen cementvervangers toe, varierend van geopolymeren en gecalcineerde klei tot vulkanische as. Daarnaast hergebruiken partijen zoals Urban Mine cement, en komen er steeds meer CO2-arme of neutrale toeslagstoffen op de markt. Materialen als biochar en olivijn binden zelfs koolstof, waardoor CO2-neutrale betonproducten binnen handbereik komen.
Carbon capture and utilisation (CCU) geniet bij de partners achter het Betonakkoord een sterke voorkeur boven CO2-opslag in lege gasvelden. Die laatste optie, carbon capture and storage, trekt vooral de cementindustrie aan vanwege de korte-termijnvoordelen. Maar CCU biedt volgens Cramer een slimmer, duurzamer en goedkoper alternatief. De koolstof blijft in de steenachtige bouwmaterialen opgeslagen, terwijl bij gasopslag de langetermijnzekerheid ontbreekt. Ook met compensatie via boomplantprojecten of het kopen van credits nemen de vijf gemeenten geen genoegen. De CO2-reductie moet in het product zelf plaatsvinden, nu en hier.
Dat Amersfoort als enige niet-G4-gemeente meedoet, hangt samen met de duurzaamheidsambities die de stad al langer koestert. Bovendien viel de vernieuwing van de raamovereenkomst voor bestratingsmaterialen precies samen met het initiatief. De timing was daardoor perfect. Amersfoort koopt als opdrachtgever altijd rechtstreeks materialen in en stelt die als directielevering beschikbaar aan de uitvoerende aannemer. Elke gemeente hanteert een eigen inkoopstrategie, waarmee de opstellers van de intentieverklaring rekening hielden.
De ervaringen van deze vijf koplopende gemeenten vormen de basis voor wettelijke duurzaamheidseisen waaraan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt. Ook daar geldt het uitgangspunt van geleidelijk aanscherpende eisen. Het Betonakkoord richt zich ondertussen ook op andere deelgebieden, zoals de utiliteitsbouw en de constructie van bruggen en viaducten. Vergelijkbare groepen innovatieve opdrachtgevers nemen daar op dezelfde wijze het voortouw in de transitie naar duurzamer beton. Cramer, die inmiddels acht jaar aan het betonconvenant trekt, durft te stellen dat de tijd van oogsten is aangebroken. Het bouwwerk staat, nu moet de opschaling volgen.