Kabinet schrapt deel zzp-regels: wat betekent de nieuwe wetgeving voor de bouw?

Minister Aartsen van Werk haalt een deel van de omstreden zzp-wetgeving van tafel. Na forse kritiek van de Raad van State, de Tweede Kamer en onrust onder zelfstandigen kiest het kabinet voor een nieuwe koers. De zzp nieuwe wetgeving moet meer duidelijkheid bieden aan zelfstandigen en opdrachtgevers, ook in de bouwsector waar tienduizenden zzp’ers actief zijn.

Waarom het kabinet de zzp nieuwe wetgeving herziet

De aanleiding voor deze koerswijziging ligt bij het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Voormalig minister Van Hijum (NSC) werkte dit voorstel uit om schijnzelfstandigheid aan te pakken. Dat voorstel bevatte criteria waaraan een zzp’er moest voldoen om als echte zelfstandige te blijven werken. Denk aan de vrijheid om eigen uren te bepalen en de mate waarin iemand investeert in zijn onderneming.

De huidige coalitie van D66, VVD en CDA vond die criteria echter te vaag en te ver gaan. Samen met de SGP dienden zij een eigen alternatief in: de Zelfstandigenwet. In het coalitieakkoord spraken de partijen al af om die richting op te gaan. Minister Aartsen zet nu de eerste concrete stap door het omstreden deel van de Vbar-wetgeving te schrappen.

Minimumtarief van 38 euro blijft overeind

Niet alles verdwijnt van tafel. Het kabinet houdt vast aan het minimumtarief van 38 euro per uur voor zelfstandigen. Zzp’ers die minder verdienen dan dit bedrag vallen voortaan onder een rechtsvermoeden: de wet beschouwt hen als werknemers die eigenlijk in loondienst horen. Opdrachtgevers moeten vervolgens zelf aantonen dat er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Deze maatregel beschermt vooral kwetsbare zzp’ers aan de onderkant van de markt, een groep die ook in de bouw zeker voorkomt.

Voor de bouwsector is dit een relevante ontwikkeling. Volgens recente CBS-cijfers over zelfstandigen zonder personeel telde Nederland begin 2025 ruim 1,2 miljoen zzp’ers. De bouw is daarbinnen een van de sectoren met het hoogste aandeel zelfstandigen. Juist hier speelt de discussie over schijnzelfstandigheid al jarenlang, omdat veel bouwvakkers formeel als zzp’er werken maar feitelijk langdurig voor een enkele opdrachtgever aan de slag gaan.

Zelfstandigentoets en werkrelatietoets als nieuw kader

De zzp nieuwe wetgeving die Aartsen nu verder uitwerkt, draait om twee toetsen. De zelfstandigentoets kijkt of iemand een deugdelijke administratie voert, spaart voor pensioen en daadwerkelijk voor eigen rekening en risico werkt. De werkrelatietoets beoordeelt of een werkende voldoende vrijheid heeft in de organisatie van werk en werktijd, en niet onder hierarchische controle valt van een opdrachtgever.

Daarnaast komt er een speciale commissie die helpt bij het beoordelen of werkenden echte zelfstandigen zijn. Die commissie moet onduidelijke gevallen beslechten voordat de Belastingdienst of de rechter eraan te pas komt. Voor bouwbedrijven die regelmatig met zzp’ers werken, kan dit in de praktijk veel onzekerheid wegnemen.

Druk vanuit Brussel zet vaart achter het proces

Het kabinet heeft ook een financiele reden om haast te maken met de hervorming van zzp-regels. De aanpak van schijnzelfstandigheid vormt namelijk een van de hervormingen waarvoor Nederland geld ontvangt uit het Europese coronaherstelfonds. Als de overheid de nieuwe wetgeving voor zelfstandigen niet op tijd doorvoert, riskeert Nederland een korting van mogelijk honderden miljoenen euro’s. Die Brusselse druk verklaart mede waarom Aartsen nu snel handelt en het controversiele deel van de Vbar-wet laat vallen.

Minister Aartsen zelf noemt de stap noodzakelijk. “Voor een deel van het wetsvoorstel Vbar dat in de Kamer lag, ontbrak het aan draagvlak. Dat zorgde voor onrust in de markt. Daarom haal ik dat deel van het wetsvoorstel van tafel,” aldus de minister. “Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.”

Gevolgen voor de bouwsector

De vraag is of deze zzp nieuwe wetgeving de gewenste rust brengt. Brancheorganisaties in de bouw reageren vooralsnog voorzichtig positief, maar wachten op de precieze uitwerking van de Zelfstandigenwet. Het schrappen van de vage criteria uit het Vbar-voorstel voorkomt dat opdrachtgevers uit voorzorg stoppen met het inhuren van zelfstandigen. Tegelijkertijd blijft het minimumtarief van 38 euro een stevig instrument tegen onderbetaling en oneigenlijke constructies.

Of de nieuwe regels voor zelfstandigen werkelijk een einde maken aan de jarenlange onduidelijkheid rond schijnzelfstandigheid, hangt af van de verdere parlementaire behandeling. De Tweede Kamer moet de Zelfstandigenwet nog goedkeuren, en dat belooft gezien de verdeeldheid in eerdere debatten geen vanzelfsprekendheid te worden. Voor de meer dan honderdduizend zzp’ers in de bouw blijft het voorlopig een kwestie van afwachten en meebewegen.

Avatar foto

Redactie

Dit nieuws is samengesteld door de redactie van BouwNieuwsVandaag.
Lees meer van: Redactie