Omgevingswet: minder onderzoek vooraf, maar verdwijnt de last echt?

De Omgevingswet beloofde minder onderzoekslasten en meer bestuurlijk vertrouwen. Toch worstelen gemeenten, ontwikkelaars en adviseurs nog dagelijks met complexe onderzoeksverplichtingen bij binnenstedelijke transformaties. Tijdens de zesde Thematafel van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) bleek dat de praktijk weerbarstig is. Schuiven we het probleem niet simpelweg door naar een later moment?

Bekende dilemma’s omgevingswet bij binnenstedelijke transformatie

Fred Hobma van de TU Delft opende de bijeenkomst met een herkenbare constatering. Vrijwel iedereen die werkt aan binnenstedelijke transformaties loopt tegen dezelfde knelpunten aan. Bestaande bedrijven willen hun milieuruimte behouden, terwijl woningbouwambities onder druk staan door geluid, geur of veiligheid. Daarbij speelt een ingewikkeld juridisch kader dat steeds meer leunt op onderzoeken en tegenonderzoeken, zowel ter onderbouwing van planvorming als in de rechtszaal. De centrale vraag tijdens deze thematafel was helder: herkennen professionals deze problematiek, en wat doen zij inmiddels anders onder het nieuwe wettelijke stelsel van Omgevingswet?

Omgevingswet verschuift het onderzoeksmoment

Advocaat Shanna Derksen van Wijn en Stael schetste het juridische kader. Onder de oude Wet ruimtelijke ordening moesten gemeenten bij planvaststelling aannemelijk maken dat de maximale planologische mogelijkheden uitvoerbaar waren. Dat leidde tot omvangrijke onderzoeken naar soms zuiver theoretische situaties. De Omgevingswet laat het uitvoerbaarheidsvereiste formeel los. Een plan mag alleen niet doorgaan als het evident onuitvoerbaar is. Het moment van diepgaand onderzoek verschuift daarmee naar de vergunningverlening. Klinkt als vooruitgang, maar de vraag is of dit in de praktijk een wezenlijk verschil maakt. Veel onderzoeken blijven namelijk noodzakelijk op basis van andere wettelijke grondslagen, zoals instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving of Europese verplichtingen.

Derksen ging ook in op het doorschuiven van onderzoek. Globalere plannen maken het mogelijk om bepaalde onderzoeken later uit te voeren, maar dat vraagt om open normen in het omgevingsplan. Die open normen zijn juridisch toegestaan, mits ze voldoende concreet en objectief begrensd zijn. In de rechtspraak zien we hoe de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiermee omgaat. Bij het Chw-bestemmingsplan Beurskwartier in Utrecht koos men bewust voor minder gedetailleerd onderzoek in de planfase. De Afdeling toetste vooral de zogeheten of-vraag: is woningbouw niet op voorhand uitgesloten? De hoe-vraag, onder welke voorwaarden en met welke maatregelen, verschuift naar de vergunningfase binnen het stelsel van de Omgevingswet.

Dat roept nieuwe dilemma’s op. Kunnen we de scheidslijn tussen de of-vraag en hoe-vraag wel scherp trekken? Bestaande bedrijven vrezen dat zij bij vergunningverlening alsnog via maatwerkvoorschriften beperkingen krijgen opgelegd. Verschillende aanwezigen spraken dan ook openlijk van het doorschuiven van onderzoeksverplichtingen. Wat je niet in het plan onderzoekt, moet je later alsnog doen. Het gevaar van dubbele onderzoeksmomenten en procedures ligt daarmee op de loer, zeker onder het regime van de Omgevingswet.

Nieuwe VNG-handreiking milieuzonering biedt handvatten

Rein Bruinsma van Haskoning, betrokken bij zowel de oude als de nieuwe VNG-handreiking activiteiten en milieuzonering, lichtte toe waarom een nieuwe aanpak nodig was. De handreiking uit 2009 werkte met milieucategorieën en richtafstanden en functioneerde jarenlang als praktisch hulpmiddel. Toch scuurde het regelmatig tussen het ruimtelijke spoor en het milieuspoor. Richtafstanden bleken in sommige gevallen te klein, in andere te groot, en hielden onvoldoende rekening met verschillen tussen bedrijven met dezelfde SBI-code. Die discrepantie bracht onzekerheid met zich mee. De VNG-handreiking activiteiten en milieuzonering uit 2024 kiest daarom voor zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur. Gemeenten leggen deze zones vast in het omgevingsplan. De SKG beschrijft uitvoerig hoe dit principe van inwaartse zonering verfijning brengt en integratie met de Omgevingswet stimuleert.

Een belangrijk aandachtspunt vormt de cumulatie van hinder. Voor individuele activiteiten gelden standaardwaarden, maar voor cumulatie van geluid en geur bestaan geen vaste normen. De handreiking introduceert daarom aanvullende regels om relevante cumulatie te beperken. Dit vraagt om een integrale afweging en expliciete keuzes in het omgevingsplan. Als een activiteit niet past binnen de zones, kunnen maatwerkvoorschriften of een omgevingsvergunning uitkomst bieden, zoals geregeld in de Omgevingswet.

Cultuurverandering nodig bij overheid en ontwikkelaars

In de afsluitende discussie stond de vraag centraal hoe de bouwsector de onderzoekslasten daadwerkelijk kan verminderen. In theorie hoeven gemeenten voor het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan minder onderzoek te doen wanneer zij kiezen voor globale plannen met open normen volgens de Omgevingswet.

De praktijk leert echter dat betrokkenen ook bij vaststelling van het globale plan nog steeds veel onderzoek uitvoeren. Een deel van de lasten komt op een later moment bij initiatiefnemers terecht. Als oplossingsrichtingen noemden de deelnemers gefaseerd onderzoeken en het strategisch kiezen van deelgebieden met de minste knelpunten. Ook benadrukten zij dat helderheid nodig is over wie opdrachtgever is van onderzoeken en wie de kosten draagt. Dit vereist een cultuurverandering bij zowel overheden als ontwikkelaars.

De Omgevingswet biedt nieuwe instrumenten, maar minder onderzoek vooraf kan leiden tot meer discussie later. Milieuzonering was en blijft complex, en het delen van ervaringen blijft onmisbaar om de beloften van de nieuwe wetgeving, zoals de Omgevingswet, in de praktijk waar te maken.

Avatar foto

Redactie

Dit nieuws is samengesteld door de redactie van BouwNieuwsVandaag.
Lees meer van: Redactie