Door: Redactie - 27 mei 2026 |
Het aantal tijdelijke woningen waarvoor gemeenten een vergunning afgaven, daalde in 2025 met maar liefst 50 procent ten opzichte van een jaar eerder. Dat blijkt uit cijfers van het CBS, uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In totaal verleenden gemeenten vergunningen voor ruim 3.000 tijdelijke woningen. Die halvering roept vragen op, juist nu de woningmarkt nog altijd flink onder druk staat.
Van 2021 tot en met 2025 gaven gemeenten vergunningen af voor in totaal 19.000 tijdelijke woningen. Het overgrote deel daarvan, 87 procent, betrof nieuwbouwwoningen. De rest ontstond door verbouw, zoals de ombouw van een leegstaand kantoorpand naar tijdelijke appartementen. Die flexibiliteit maakt dit type woning aantrekkelijk: er gelden minder strikte regels dan voor permanente bouw, en geschikte locaties zijn sneller inzetbaar.
Tijdelijk wonen heeft een maximale looptijd van doorgaans 10 jaar, of voldoet aan de definitie uit het Bouwbesluit. Dat maakt dit woontype bij uitstek geschikt voor situaties waarin snel actie nodig is. Maar de terugval in vergunningverlening suggereert dat gemeenten minder urgentie voelen, of simpelweg tegen andere obstakels aanlopen.
De tijdelijke woonruimte die gemeenten vergunden, ging in 2025 voor een groot deel naar een zogenaamde gemengde doelgroep. Meer dan 1.000 vergunde wooneenheden vielen in die categorie, bijna vier keer zoveel als in 2021. Dat kan duiden op een bewuste beleidsmatige keuze voor inclusievere woonprojecten, maar het maakt het ook lastiger om te beoordelen wie nu precies profiteert van deze woningen.
Statushouders en vluchtelingen, inclusief Oekraïners, vormden de grootste specifiek benoemde doelgroep. In 2025 telden gemeenten 707 vergunde tijdelijke woningen voor deze groep, drie keer zoveel als in 2021. Dat is een opvallende stijging, zeker in het licht van de aanhoudende discussies over opvangcapaciteit.
Het aantal vergunde eenheden voor studenten, uitstroom vanuit opvang en spoedzoekers daalde juist sterk. In 2021 telde die groep nog 855 vergunde woningen; in 2025 was dat nog maar 165. Mogelijk schuiven deze groepen nu op naar de gemengde doelgroep, maar zekerheid daarover ontbreekt.
Tilburg spant de kroon als het gaat om vergunde flexwoningen over de afgelopen vijf jaar: de gemeente verleende ruim 1.000 vergunningen. Ook Ouder-Amstel, Hengelo en Utrecht scoorden relatief hoog. Opvallend afwezig in de top zijn grotere steden als Haarlem, Emmen en Helmond, die geen enkele vergunning voor tijdelijke woonoplossingen verleenden.
Dat is een wrange constatering. Juist in stedelijke gebieden is de woningnood het hoogst, maar toch laten sommige grote gemeenten het afweten. Of dat aan politieke keuzes, beschikbare locaties of procedurele rompslomp ligt, vertellen de CBS-cijfers niet.
Op provinciaal niveau verleende Zuid-Holland in 2025 de meeste vergunningen voor tijdelijke woningen: 784 in totaal. Flevoland en Zeeland bleven ver achter met elk minder dan 40 vergunde eenheden. Over de afgelopen vijf jaar presteerde Noord-Brabant het best, mede dankzij enkele grootschalige projecten die in een keer veel tijdelijke woonruimte toevoegden aan de voorraad. Dat patroon, een piek door één groot project gevolgd door een stille periode, illustreert hoe grillg de vergunningverlening verloopt.
Een belangrijke nuance in de CBS-data is het onderscheid tussen woningen en woonruimten. In een tijdelijk woongebouw kunnen meerdere huishoudens wonen, bijvoorbeeld via onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen, zoals een gezamenlijke keuken. Denk aan studentenhuizen of woonzorgcomplexen.
Het gevolg is dat het aantal vergunde tijdelijke woonruimten van 2022 tot en met 2025 twee keer zo hoog lag als het aantal vergunde woningen. De ruim 3.000 tijdelijke woningen die gemeenten in 2025 vergunnendn, bieden feitelijk plek aan bijna 6.000 huishoudens. Dat is een relevant gegeven, omdat het laat zien dat de daadwerkelijke capaciteit groter is dan de kale aantallen op het eerste gezicht suggereren.